Een smoorklep regelt de snelheid van een pneumatische cilinder door de luchtstroom te beperken. De lucht gaat er nog wel doorheen, maar in een instelbare hoeveelheid. Zo bepaalt u hoe snel een cilinder uit- en inschuift, zonder de werkdruk te veranderen.
Een smoorklep is in feite een instelbare vernauwing in de luchtweg. Met een schroef stelt u in hoe ver de doorgang openstaat. Hoe verder u de smoorklep dichtdraait, hoe minder lucht er per seconde doorheen gaat en hoe trager de beweging wordt. De werkdruk blijft gelijk; alleen de doorstroomhoeveelheid, het debiet, verandert.
De meest gebruikte uitvoering is de eenrichtings-smoorklep: een smoorklep met een ingebouwde terugslagklep. Die smoort de lucht in een richting en laat hem in de andere richting vrij door. Zo regelt u de snelheid van de cilinder in een bewegingsrichting, zonder de tegengestelde richting te beperken. Voor elke richting van een dubbelwerkende cilinder gebruikt u een eigen smoorklep.
Bij een dubbelwerkende cilinder smoort u bij voorkeur de lucht die de cilinder verlaat. Dat heet afvoersmoring. Er ontstaat dan een lichte tegendruk waardoor de cilinder rustig en gelijkmatig beweegt. Smoort u juist de inkomende lucht (toevoersmoring), dan beweegt de cilinder schokkeriger en minder beheerst.
| Methode | Resultaat |
|---|---|
| Afvoersmoring | Rustige, stabiele beweging. Aanbevolen voor dubbelwerkende cilinders |
| Toevoersmoring | Schokkerige beweging. Soms gebruikt bij enkelwerkende cilinders |
Draai de smoorklep eerst helemaal dicht en open hem daarna langzaam tot de cilinder de gewenste snelheid heeft. Stel de smoorklep voor uitschuiven en die voor inschuiven apart in. Staat een smoorklep te ver dicht, dan beweegt de cilinder te traag of blijft hij haperen. Monteer de smoorkleppen bij voorkeur direct op het ventiel.
Een smoorklep regelt de snelheid door het debiet te beperken. Een drukregelaar regelt de druk. Voor het instellen van de cilindersnelheid gebruikt u een smoorklep.
Bij een dubbelwerkende cilinder aan de afvoerzijde, bij voorkeur direct op het ventiel. Zo ontstaat een rustige, gelijkmatige beweging.
Vaak door toevoersmoring of een te ver dichtgedraaide smoorklep. Schakel over op afvoersmoring en stel de smoorklep opnieuw in.
Volledig dichtdraaien stopt de luchtstroom, maar voor het echt stoppen of vasthouden van een cilinder gebruikt u een ventiel, geen smoorklep.